Het Vossenhol, Vos op Vrijdag

Soms moet een mens in Nijmegen zijn

Vorige week liep de zomer uit in de herfst. Op mijn keukenkastje hangt al maanden het gedicht van Rilke, ‘Herfstdag’ (dat het lievelingsgedicht van M. was, die het op mijn keukenkastje had geplakt en het weghalen lukte me niet):  Wie nu alleen is, zal het lang nog blijven,/ zal waken, lezen, lange brieven schrijven/ en rusteloos door lege lanen dwalen/ als bladeren op de herfstwind drijven.* Het bleek een profetische regel en die strofe dook de afgelopen tijd regelmatig op in mijn gedachten, op momenten waarop je even geen behoefte hebt aan Rilke – dat zal je altijd zien.

Op zo’n herfstzondag, die hard zijn best deed niet op een herfstzondag te lijken door een stralende zon, reisde ik af naar Nijmegen. Soms moet een mens in Nijmegen zijn, en ik was op die dag zo’n mens. Waarom ik daar moest zijn? Het originele plan was het volgen van de Duitse verkiezingen met goede vriend (en tevens steun en toeverlaat) Oerol, maar los van een onmogelijk Duitslandquiz die door hem was gemaakt, en waar ik genadeloos voor zakte, heb ik daar weinig van gemerkt, en dat was niet erg. Ik zag niet veel van Nijmegen, maar dat gaf ook niet.

Ik zag alles wat ik achteraf had willen zien: een studentenhuis met een fietsenzee voor de deur, een muur met literaire en politieke helden en een tuin waar in gerookt werd. Op de kamer van Oerol hing hetzelfde gedicht van Rilke aan de muur – dat kon geen toeval zijn. Ik maakte kennis met Wolf, die ik al eerder zag – het was lang geleden dat ik iemand van mijn leeftijd ontmoette die zo belezen en zichzelf was als zij. Ook leerde ik Bont kennen – ik kan me niet heugen wanner ik zo’n opgewekt, vriendelijk en fascinerend persoon ontmoet had als Bont. Bijzondere mensen die je om je heen wilt hebben, dat werd meteen duidelijk.

In de tuin van het huis, op een herfstavond met drank, goede gesprekken en nieuwe mensen wist ik ineens wat ik de afgelopen tijd zo had gemist: zo’n avond, zo’n dag, zo’n ontmoeting met nieuwe, fascinerende personen. Die avond weerlegde de prachtige regel van Rilke: wie nu alleen is, hoeft dat niet lang te blijven. Niemand van ons was op die herfstavond alleen.

De volgende ochtend werden we om zeven uur gewekt door de glasvezelmeneren, die kwamen boren, hakken en stampen (Bont stond overigens bijzonder wakker en goedgehumeurd in de keuken die ochtend, wat me sterkte in het idee dat ze de meest opgewekte persoon is die ik nu ken). Later, toen ik weer vertrok, moest ik een van de glasvezelmeneren meerdere malen uitleggen dat ik geen zakenman was, maar een dichter, en wat dat precies inhield. Hij kon zich niet indenken dat dichters nog bestonden en wat ik dan precies deed.

Nog later strandde ik op Utrecht Centraal, nam per ongeluk de trein naar Gouda en pas in de namiddag kwam ik met een gigantisch slaaptekort aan op Amersfoort Centraal. Toch woog die avond in Nijmegen zwaarder dan dat alles: dat gevoel, die avond, dat geluk wilde ik nog lang bij me dragen – daar kon geen boormachine, geen kapotte bovenleiding, geen slaaptekort tegenop.

* Vertaling: Menno Wigman

T.V.

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedjes. Zijn werk verscheen eerder in o.a. Tirade, Tijdschrift Ei en Ooteoote en werd opgenomen in verschillende bloemlezingen. In 2021 was hij Ambassadeur van de Vrijheid voor Bevrijdingsfestival Utrecht. Van 2021 tot 2024 is hij stadsdichter van Amersfoort. Momenteel werkt hij aan zijn poëziedebuut, dat in 2022 verschijnt. Twan Vet is mede-oprichter van De Kwistige Reynaerde

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *