Het Vossenhol, Vos op Vrijdag

Mijn kind is een kat

Deze week sleepte ik mezelf door de supermarkt – supermarkten vind ik een van de lelijkste, stomste en meest inspiratieloze plekken in de wereld. Het is daarom zeer vervelend dat ik er minstens één keer in de week naartoe moet: ook ik moet eten en drinken en ontkom niet aan de hel die boodschappen doen heet.

Toen ik bij de schappen met wijn stond, kwam er een man voorbij met een kind op zijn arm. Het leek alsof het kind een verlengstuk van hemzelf was, het klopte gewoon. In zijn vrije hand hield hij een knuffel, een melkfles én zijn telefoon. Ook dat deed hij met een souplesse, met een vanzelfsprekendheid waar ik alleen maar respect voor kon hebben. Hij praatte wat tegen het kind en het kind moest lachen. Deze man was een vader, en een goede, dacht ik.

Mijn moeder belde laatst, nadat ik een interview had gegeven aan het AD Amersfoortse Courant. In dat artikel was te lezen dat ik geen kinderen wil, dat ik dat zelfs zeer onverantwoordelijk zou vinden, omdat ik amper voor mezelf kan zorgen. Ik weet niet meer of ik het precies zo heb gezegd, maar het stond er. ‘Fijn,’ zei ze over de telefoon, ‘nu weet ik dus dat ik geen oma wordt. In ieder geval niet van jouw kleinkinderen.’ Ze had wel gelijk: ik wil geen kinderen. Ik heb mijn handen al vol aan mezelf en vergeet soms bijna mezelf mee te nemen, laat staan een eventueel kind. Nee, dat lijkt me niets. Geen goed idee.

Sommige mannen komen over als ‘echte’ vaders, alsof ze nooit iets anders hebben gedaan dan de gigantische verantwoordelijkheid en zorg dragen voor een kind, zoals de man in de supermarkt. Als ik mezelf zou zien lopen met een kind, in blinde paniek, zou ik alleen maar denken: arme man. En vooral: arm kind.

Tevreden met het feit dat ik geen kind heb en geen kind wil (en maar een beetje rouwig over het feit dat ik momenteel geen vaste relatie heb, wat toch een redelijk essentieel onderdeel is van het beginnen aan kinderen) wandelde ik naar huis. Toen ik de gang instapte, kwam mijn kat, Madame Bovary, aangesneld. Ik praatte wat tegen haar, nam haar op mijn arm en liep naar de woonkamer. Terwijl ik haar op mijn rechterarm hield, pakte ik haar waterbakje mee om te vullen in de keuken en ik gaf haar een snoepje dat nog in mijn broekzak zat.

Ineens zag ik mezelf in de spiegel: kat op mijn arm, waterbakje in de ander, bemoedigend mompelend tegen Madame Bovary. Ik leek op de vader in de supermarkt. Toen wist ik het: ik had al een kind. En mijn kind is een kat. Misschien was ik tóch een soort vader. Snel belde ik mijn moeder op, met de vraag of ze volgende week op haar kleinkind wilde passen. En of ze snoepjes mee wilde nemen, want dat is wat oma’s doen.

Dit was de elfde column van Twan Vet, die elke week in de rubriek ‘Vet op Vrijdag’ schrijft over wat hem die week bezighoudt.

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza, liedteksten en muziek. Hij schreef columns voor Tirade, zijn gedichten verschenen eerder in o.a. Tijdschrift Ei en Ooteoote, in verschillende bloemlezingen en hij droeg voor op podia zoals Dichters in de Prinsentuin en de Nacht van de Literatuur. Twan Vet is mede-oprichter van De Kwistige Reynaerde

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *