Het Vossenhol, Vos op Vrijdag

Mijn derde hersenhelft

Terwijl ik dit schrijf denk ik eigenlijk aan iets anders: aan de poëzie. Of duidelijker: aan een gedicht waar ik mee bezig ben, al dagen. Ik denk wel vaker aan de poëzie en aan de gedichten die nog verzorgd moeten worden, maar de laatste tijd begint mijn poëziebrein mijn normalemensenbrein te overschaduwen.

Mijn poëziebrein is een derde hersenhelft, die nog niet erkend is door de wetenschap en neurologen, maar die zeker bestaat – bij mij in ieder geval. Als er deadlines liggen en opdrachtgedichten, zoals vandaag, staat mijn derde hersenhelft constant aan, denk ik bij alles wat ik doe aan de regels waar nog geen punt achter staat. Als een ekster probeer ik alles wat de wereld me voor mijn voeten werpt naar mijn nest te slepen, waar ik broed op dat nieuwe gedicht.

Ingmar Heytze vertelde ooit dat er in zijn achterhoofd constant een virusachtig programma draait, dat de hele dag bezig is met inspiratie en gedichten. Ester Naomi Perquin zei ooit in een interview dat ze vaak onbenullige gedachtes heeft, maar dat ze die toch opschrijft, want daar zit vaak een gedicht in. Menno Wigman schreef ooit dat de poëzie meer een ziekte is, die je met een handvol hopeloze idioten deelt. Lennaert Nijgh scheen behoorlijk wanhopig te kunnen worden, wanneer hij een tekst moest afschrijven en dat niet lukte. ‘Ik moet een ei leggen’, heeft hij eens gezegd, ‘en het is een groot, vierkant ei!’ – zo erg is het bij mij nu ook weer niet, en als dat wel zo zou zijn, zou ik het nooit op zo’n mooie manier kunnen zeggen.

Wat ik doe, is me vooral beklagen bij mijn vrienden die ondanks dit nog steeds mijn vrienden zijn en mijn onvrede uiten over de poëzie bij mijn vriendinnen die dankzij dit (en vele andere redenen, sterker nog, waarschijnlijk vooral die andere redenen) exen zijn, maar dat is een ander verhaal, voor een andere keer. Alleen al in het beschrijven van het bezig zijn met poëzie zit poëzie, zoals u leest.

Het klinkt misschien een beetje koket, maar wanneer ik met een gedicht bezig ben (en ik werk traag, dus dat is vaak) vind ik het lastig om daar andere dingen naast te doen, sterker nog: ik kan behoorlijk nukkig worden als ik door vriendinnen, vrienden, familie uit mijn concentratie wordt gehaald. Schrijven is een soort roes en wanneer je eindelijk in die roes zit, wil je er absoluut niet uit. De wereld zit echter vrijwel niet op dichters te wachten, dus is de samenleving zo ingericht dat het leven toch gewoon doorgaat wanneer je aan een gedicht zit te sleutelen. Misschien is dat maar beter ook, maar praktisch is anders. Toen ik vanochtend wakker werd, dacht ik aan twee dingen:

een: ‘tijd’ halfrijmt mooier op ‘krijgt’ dan ‘blijft’, en

twee: er zijn vast veel andere dingen die ik ben vergeten naast punt een.

Soms vraag ik me af waarom ik me nog bezig houd met poëzie, vooral als ik zie hoe weinig mensen eigenlijk poëzie lezen, of erger nog, om poëzie geven, maar al vrij snel denk ik daar achteraan: zolang er nog mensen zijn, of het er nou duizend zijn of twee, die gedichten lezen en om gedichten geven, blijf ik het doen. Later denk ik daar ook nog achteraan: het pielen op de vierkante centimeter, op een pagina de wereld vangen die niet op een pagina wil, niet op een pagina past, de dingen opschrijven die je niet kan zeggen, om het vervolgens volledig weg te geven aan een lezer die er totaal iets anders uithaalt, dat is eigenlijk het mooiste wat er is.

Tot slot denk ik dit achter alle voorgaande zaken aan: zelfs al zou ik willen, ik zou niet meer zonder de poëzie kunnen. De poëzie kan vast en zeker zonder mij (misschien is ze zelfs wel beter af zonder mij), maar andersom, dat gaat niet meer – het samenlevingscontract is al getekend en daar kan, mag, wil ik nooit meer onder uit.

Dit was de derde column van Twan Vet, die elke week in de rubriek ‘Vet op Vrijdag’ schrijft over wat hem die week bezighoudt.

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedjes. Zijn werk verscheen eerder in o.a. Tirade, Tijdschrift Ei en Ooteoote en werd opgenomen in verschillende bloemlezingen. In 2021 was hij Ambassadeur van de Vrijheid voor Bevrijdingsfestival Utrecht. Van 2021 tot 2024 is hij stadsdichter van Amersfoort. Momenteel werkt hij aan zijn poëziedebuut, dat in 2022 verschijnt. Twan Vet is mede-oprichter van De Kwistige Reynaerde

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *