Het Vossenhol, Vet op Vrijdag

Mag ik met je op de foto?

Het is avond en ik wandel naar het station. Snel rook ik een sigaret, kijk wat om me heen en zie een jongen aan komen lopen die me ontzettend bekend voorkomt. Dat gebeurt wel vaker, ik haal regelmatig gezichten door elkaar, dus ik wend mijn blik af en staar wat naar mijn telefoon. Ineens draait de jongen zich om.

‘Ken ik jou niet ergens van?’ vraagt hij, en ik lach.

‘Dat zou een mogelijkheid zijn’, antwoord ik en wiebel ongemakkelijk van mijn ene voet naar mijn andere.

‘Ja, ik ken jou – hebben wij niet bij elkaar op school gezeten? Ik las laatst een interview met je in de krant, ben je geen dichter?’ zegt hij vriendelijk. Even schieten de regels van Menno Wigman door mijn hoofd, die ooit op de vraag ‘Bent u niet Menno Wigman?’ antwoordde: ‘Ik ben bang van wel.’ – een legendarisch antwoord.

‘Dat klopt’, stamel ik, onhandig als ik ben in dit soort uitzonderlijke situaties, ‘wat leuk dat je me herkent.’ De jongen kijkt me aan met een blik die hangt tussen verwondering en verbazing en begint over onze oude middelbare school, die hij een jaar eerder verliet dan ik.

Het blijkt dat we dezelfde trein moeten hebben en we gaan tegenover elkaar zitten – een tikkeltje ongemakkelijk, omdat ik zelden in de situatie kom waarin ik word herkend, maar ook bijzonder. Hij vertelt uitvoerig over hoe bijzonder hij het vindt dat we elkaar zo tegen het lijf zijn gelopen en ik beaam dat het leven wonderlijk is, zelfs op een volslagen doelloze maandagavond – het kan raar lopen.

Al snel wordt duidelijk dat hij goed op de hoogte is en het interview grondig heeft gelezen. Wat volgt is een soort kruisverhoor, maar wel heel aangenaam, waarin hij praktisch alles wil weten over hoe ik er in vredesnaam bij ben gekomen om dichter te worden, hoe dat is, hoe het gaat, wat mijn ouders daar van vonden, of ik op de middelbare al verslingerd was aan de poëzie (wat niet zo was, pas in de vijfde zag ik het licht) – ik geef op alles netjes en beleefd antwoord en probeer te verbergen dat ik glunder van trots om het feit dat hij me herkende en zo veel vragen wil stellen. Het ontroert me zelfs, dat mensen zo aardig en oprecht geïntrigeerd zijn en het bijzonder vinden wat ik doe.

Na een tijdje belt zijn vriendin, in licht beschonken toestand, en hij vertelt dat hij onderweg is, maar nu nog in de trein zit met een man in een pak, die dichter is en met wie hij op de middelbare heeft gezeten. Ik hoor hoe ze schaterlacht en het niet gelooft – ik geef haar groot gelijk. Hij probeert haar te overtuigen, wat amper lukt.

Op Amersfoort Centraal scheiden onze wegen – hij moet naar zijn fiets, ik naar de bus. Vlak voordat we allebei onze eigen richting, onze eigen levens weer inlopen, draait hij om.

‘We moeten nog een selfie maken, anders gelooft mijn vriendin dit nooit!’ roept hij. Met een zo stoer mogelijk gezicht ga ik met hem op de foto, waarop hij trots staat te lachen alsof hij naast een bekend persoon staat.

Pas als ik in de bus zit, bedenk ik me dat ik waarschijnlijker trotser op die foto ben dan hij.

Dit was de tiende column van Twan Vet, die elke week in de rubriek ‘Vet op Vrijdag’ schrijft over wat hem die week bezighoudt.

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Zijn proza verscheen eerder op de blog van Tirade en zijn gedichten verschenen eerder in o.a. Tijdschrift Ei, Ooteoote, Meander en werden opgenomen in de bloemlezingen 'Een geluk als nieuwe wijn geschonken' (Top 100 De Gedichtenwedstrijd 2019) en 'De mens, de menigte' (Dichters in de Prinsentuin 2020). Twan Vet is mede-oprichter van De Kwistige Reynaerde

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *