Het Vossenhol, Vos op Vrijdag

Ik ben goddank dus nog een keer een jonge lente waard

De afgelopen week bestond voornamelijk uit parkjes en de galerijflat van de Van Lieflandlaan in Utrecht. De lente is eindelijk losgebarsten (het werd tijd) en de korte broeken, de rokjes en de afgrijselijke sokken in sandalen zijn weer uit de kast getrokken. Hoera, het is weer lente, schiet het door mijn hoofd, zoals teksten van Jeroen van Merwijk wel vaker door mijn hoofd schieten – God kijkt op de aarde neer en slaakt een diepe zucht en zinloos rijdt een lege eersteklascoupe door Drenthe. Hoera, hoera, hoera – het is weer lente!

Zo erg is het gelukkig niet deze week – wel denk ik dat je met de flessen die er deze week doorheen zijn gegaan een mooie tweedehands Fiat kan kopen. Deze week bestond, gek genoeg, vooral uit weemoed, terwijl ik dat normaal altijd in de winter heb. Snap nodigde me deze week meermaals uit bij hem, gastvrij en zorgzaam als hij is, waar we de avond in dreven met uitzicht over de stad. Snap weet vaak precies wat er in mijn hoofd omgaat en in dit soort weken al helemaal (tevens zegt hij dat ik de controle over mijn gevoelsleven heb van een kind van vijf) – dan belt hij me, om ervoor te zorgen dat ik me niet helemaal opvreet. Vanaf zijn galerij kon ik het huis van M. zien, waar ik een paar keer was geweest. Sinds ze zich uit mijn leven gumde en onze dagen samen in de prullenbak gooide, heb ik haar niet meer gezien. Ik vroeg me af wat ze nu zou doen en wist vrij snel daarna dat ik dat eigenlijk helemaal niet wilde weten.

Ook met Rijm zat ik deze week in het park – hij droeg een joggingbroek die door zou kunnen gaan voor een pantalon, wat me enorm in de war bracht. We rookten wat, we dronken wat en tijdens een gesprek met hem dwaalden mijn gedachten af naar T., met wie ik hier, in Utrecht, minder dan een jaar geleden ook had gezeten. In de zomer deden we ongeveer alle parken in Utrecht aan, om uiteindelijk in haar kleine, broeierige kamer te belanden. Rijm ging onverstoord verder met zijn verhaal en ik knikte instemmend – ik weet nog steeds niet waarop, dus ik hoop dat het niets ernstigs was. Ik weet zeker dat Rijm het doorhad, maar hij zei niets, lief als hij is en liet me, zoals de meesten me laten als ik mezelf weer eens aan het ingraven ben in mijn hoofd.

 Al de hele week probeer ik mijn gedachten te verzetten naar andere dingen dan plekken waar ik was met anderen, maar dat lukt me slecht en ik weet niet goed waarom. Onlangs heb ik in een interview met het AD gezegd dat ik ‘geluk niet interessant’ vind en ik weet niet zo goed waarom ik dat zei – ja, het is veel makkelijker om over ongelukkige dingen te schrijven, maar ik vind geluk juist enorm interessant, omdat ik er zo weinig van begrijp. Achteraf gezien had ik dat wil zeggen, maar dat zei ik niet. Geluk is niet interessant, dat stond er en dat zei ik toen alsof het een waarheid was.

Misschien zei ik dat ik geluk niet interessant vond omdat ik me de laatste tijd steeds vaker afvraag wat geluk eigenlijk is – F. zei ooit tegen mij dat ‘geluk het laatste koekje in het pak is, omdat er daarna niets meer over is’. Ik geloofde haar, maar dat komt ook omdat ze daarna wilde laten zien dat haar nieuwe lippenstift naar framboos smaakte. Maar nu dwaal ik weer af.

De (voorlopig) laatste parkdag was aangenaam en warm – Rijm heeft waarschijnlijk een zonnesteek opgelopen en Snap verweerde zich kranig tegen de zon, die vol in zijn gezicht scheen. We sloten ons aan bij Konz, M. en C. en zagen hoe het donker werd, zoals het altijd donker wordt. Voor het eerst sinds lange tijd dwaalden mijn gedachten niet meer ongecontroleerd af.

In de bus naar huis nestelde een regel van Maarten van Roozendaal zich in mijn brein, weemoedig, maar ook, voor het eerst sinds lange tijd, enigszins gelukkig (of ik had ook een zonnesteek, dat zou ook kunnen):

Ach, ik ben goddank dus nog een keer een jonge lente waard.
Het is zo mooi, het is om te janken zo mooi!
Mooi! Om te janken zo mooi!

Dit was de negende column van Twan Vet, die elke week in de rubriek ‘Vet op Vrijdag’ schrijft over wat hem die week bezighoudt.

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza, liedteksten en muziek. Hij schreef columns voor Tirade, zijn gedichten verschenen eerder in o.a. Tijdschrift Ei en Ooteoote, in verschillende bloemlezingen en hij droeg voor op podia zoals Dichters in de Prinsentuin en de Nacht van de Literatuur. Twan Vet is mede-oprichter van De Kwistige Reynaerde

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *