Het Vossenhol, Vos op Vrijdag

De jongen in de verkeerde bus

Bij de bushalte stond laatst een jongen hardop te denken. Wat hij zei was onverstaanbaar, maar hij deed het met volle overtuiging. Zijn handen bewogen mee en hij wiebelde van achter naar voor. Het was een jongen met een lichaam dat niet in verhouding stond tot zijn hoofd. Zijn ogen stonden vlak en soms keek hij even paniekerig om zich heen, om vervolgens weer in zichzelf te keren. We moesten dezelfde bus hebben, bleek later, want hij stapte voor me in. Geroutineerd checkte hij in, borg zijn OV-chipkaart op en schuifelde helemaal naar het achterste gedeelte van de bus.

Op zich is dit geen bijzondere observatie of iets om te onthouden. Tot ik vorige week weer dezelfde jongen trof, bij dezelfde bushalte, wachtend op dezelfde bus. Het was hetzelfde tijdstip als de vorige keer. Weer wiebelde hij, dacht hij hardop, zwaaide met zijn armen, stapte hij voor me de bus in, borg zijn pas op, schuifelde hij naar zijn vaste stoel in de bus, helemaal achterin. Toen ik door de bus liep, keek hij me even aan, tussen de stoelen door en keek toen snel weer weg. Ik knikte naar hem, maar hij zag het niet. Toen ik uitstapte bij mijn halte, zag ik door het raam hoe hij met zijn hoofd in zijn handen wiegend in zijn stoel zat.

Deze week kwam ik hem weer tegen. Precies hetzelfde verhaal. Ik groette hem, een schamele ‘hallo’, maar hij zei niets terug. Gebiologeerd bleef hij maar naar het asfalt staren en mompelde, gromde en lispelde. De bus die we beiden moesten hebben, had een paar minuten vertraging. Het gevolg van die vertraging was dat er een andere bus, niet onze bus, eerder bij de halte stopte. Onze bus reed daarachter en kwam tot stilstand achter de verkeerde bus. Ik stapte in de achterste bus, zonder na te denken.

Pas toen mijn bus wegreed, zag ik hoe de jongen in de voorste bus was gestapt – de verkeerde bus! Het was een misverstand geweest, dacht ik, een verwarrende situatie voor de jongen die zelfstandig kon reizen, maar dan wel met routine en vaste regelmaat. Ik voelde hoe mijn maag zich omdraaide en hoe ik eigenlijk de buschauffeur tot stoppen wilde manen, de bus uit wilde stappen om de jongen te vertellen dat hij in de verkeerde bus zat. Ik deed niets.

Eenmaal thuis kon ik alleen maar aan die jongen denken, en of het goed met hem was afgelopen – misschien was hij wel in paniek geraakt, verdwaald, totaal ergens anders uitgestapt waar hij moest zijn en kwam hij dus niet thuis. Alle doemscenario’s schoten door mijn hoofd en ik zocht op internet naar oproepen van een jongen die niet thuis was gekomen. Ik vond niets.

Ik vond mezelf een slappe zak; ik had het fout zien gaan, en had niets gezegd. De jongen zou misschien verdwalen, in volslagen paniek bij een verlaten bushalte staan, niet wetend wat te doen en waarnaartoe te gaan – dat had ik kunnen voorkomen. Ik hoop maar dat iemand anders hem heeft aangesproken, opgevangen.

Iemand die niet denkt, zoals ik, maar doet.

Dit was de twaalfde column van Twan Vet, die elke week in de rubriek ‘Vet op Vrijdag’ schrijft over wat hem die week bezighoudt.

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza, liedteksten en muziek. Hij schreef columns voor Tirade, zijn gedichten verschenen eerder in o.a. Tijdschrift Ei en Ooteoote, in verschillende bloemlezingen en hij droeg voor op podia zoals Dichters in de Prinsentuin en de Nacht van de Literatuur. Twan Vet is mede-oprichter van De Kwistige Reynaerde

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *