Het Vossenhol, Vos op Vrijdag

Daar hebben we Stef Bos niet voor nodig

Op de begrafenis van de vader van mijn vader werd het lied ‘Papa’ gedraaid, van Stef Bos. Het liedje galmde door de zaal en sindsdien heb ik het nummer niet meer geluisterd, tot vorige week: ik hoorde het nummer, per ongeluk, weer: het stond op bij een vriendin. Weglopen wilde ik niet, een verzoek doen om het door te spoelen voelde ook niet goed en het negeren lukte niet. De regel ‘papa, ik lijk steeds meer op jou’ klonk nu vreemd: op de begrafenis ging dat over mijn vader die steeds meer op zijn vader was gaan lijken, maar nu zou het op mijn vader en op mij kunnen slaan.

Dat voelde niet zo: mijn vader en ik lijken eigenlijk helemaal niet op elkaar: hij een lange, ruwe, stoïcijnse man en ik een stuk kleinere, zachte, soms hysterische man. We hebben allebei een ander huidskleur, hij is kaal en ik heb een volle bos haar, hij heeft een bril, ik al lang niet meer, en dat zijn maar een paar uiterlijke verschillen – het zou een vrij makkelijke ‘Zoek-de-verschillenpuzzel’ opleveren.

Mijn vader is nergens bang voor, is enorm handig, weet hoe hij een band kan verwisselen en een vloer moet leggen, houdt van sport en luistert naar 100%NL. Ik, op mijn beurt, ben ongeveer voor alles bang, kan me dodelijk verwonden met een schroevendraaier en een IKEA-kast, krijg uitslag van Jan Smit en André Hazes en word doodongelukkig van alleen al het idee aan het interieur van een sportschool – ook qua innerlijk liggen we mijlenver uit elkaar – tenminste, dat dacht ik.

Nee, dat liedje sloeg vast niet op ons en die regel was niet toepasbaar op onze vader-en-zoonrelatie. Tot we vorige week naast elkaar op de bank zaten. Ik was weer even thuis en we keken naar de televisie. We zeiden niets, hij zat wat op zijn telefoon en ik keek wat naar bejaarden die op een camping stonden. Mijn vader en ik kunnen uitstekend praten over niets, maar praten over gevoel, over emotie, dat doen we nooit. Dat is onze verstandhouding, en dat vind ik fijn. Hij ook.

Opeens wist ik het: daar vonden we elkaar, daar, stilzwijgend op de bank. We hoefden niets te bespreken, we begrepen elkaar. Als we vroeger ruzie hadden, schreeuwden we even, maar daarna was alles vergeven en vergeten. De een zei sorry, of de ander, we schudden elkaar nog net niet de hand als vechtersbazen na een kroeggevecht, en het was goed.

Ik keek naar mijn vader, die nu ook naar de televisie keek en kon me de laatste keer niet heugen dat we ‘ik hou van jou’ tegen elkaar hadden gezegd – ik zeg dat sowieso tegen niemand, dat kan ik niet. Mijn vader ook niet. We leken op elkaar, maar vooral: we houden van elkaar, dat weet ik zeker, maar we zullen dat nooit zeggen, want we weten het, en dat is voor ons genoeg. Daar hebben we Stef Bos niet voor nodig.

T.V.

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza, liedteksten en muziek. Hij schreef columns voor Tirade, zijn gedichten verschenen eerder in o.a. Tijdschrift Ei en Ooteoote, in verschillende bloemlezingen en hij droeg voor op podia zoals Dichters in de Prinsentuin en de Nacht van de Literatuur. Twan Vet is mede-oprichter van De Kwistige Reynaerde

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *