Het Einde der Tijden

De Schatkamers

Geachte leidinggevende c.q. Almachtige,

Het hiernamaals valt me tegen. Om te beginnen ben ik nog steeds oud en krakkemikkig, ziek zelfs. Eigenlijk doet alles pijn. Van de beelden die ik gepresenteerd kreeg van de verschillende wereldreligies is niets waar. Geen banket, geen Valkyries, geen maagden, geen poort, geen familie, geen engelen, geen goden, geen rivier Styx, geen demonen, geen vuur, geen straf of beloning. Alleen maar eindeloze leegte.

En mijn huis, dan.

Het is best een mooi huis. Ik weet niet of ik het beter had kunnen bedenken, als ik het zelf had mogen doen. Misschien heb ik dat ook wel gedaan. Ik weet nog steeds niet of ik het huis zelf heb gemaakt. Misschien was het er al. Het is een groot Victoriaans landhuis, met een oprijlaan, een vijver, een paar velden eromheen en een bosrand. Alleen de rand. Het lijkt heel wat, vanaf het balkon, maar toen ik er ging kijken, bleek het snel op te houden. Zesentwintig bomen diep, gemiddeld. Het hangt er vanaf waar je begint met lopen. Daarachter alleen maar leegte.

Ik ben een paar keer de leegte ingelopen. De eerste keer liep ik zo ver dat ik mijn huis alleen nog maar als een stip aan de horizon zag. Verder niets te zien. Ik ben elke kant uitgelopen, zelfs een paar keer met een ladder en een verrekijker bij me, maar er is niets te bekennen.

Alles in het huis werkt. Keuken met eten, zitkamer met mijn lievelingssigaren, een mooie, klassieke bibliotheek met alle boeken die ik ooit heb gelezen. Ja, dat is dus zo’n tegenvaller. Ik heb alle boeken al gelezen. Soms kom ik een boek tegen waarvan ik vrij zeker weet dat ik het einde nooit gelezen heb, maar als ik dan op het punt kom waar ik niet verder heb gelezen, destijds, is de rest van het boek leeg. Waardeloos. Er zijn allemaal lege plekken in de kasten. Daar hadden best wat spannende boeken in gekund die ik nog niet ken.

Er zijn verschillende slaapkamers met mooie grote bedden, maar dat is ook weer een ontwerpfout. Ik slaap toch nooit. Er is ook geen dag en nacht, trouwens. Ik heb wel eens een tijd naar de grote gouden klok in de hal gekeken, maar die lijkt te bewegen zoals een dier dat doet, meestal niet, maar soms, onverwachts en alleen als het zelf zin heeft.

De grote kleedkamer is ook zinloos. Alle kleren die ik ooit heb gedragen hangen netjes in rijen in de kast. Het grootste gedeelte zijn echter kinderkleren en verkleedkleren. Vanaf mijn dertigste droeg ik meestal hetzelfde. En dan nog, er is weinig reden om me om te kleden.

Er zijn nog best nog wel wat kamers, maar ik besteed de meeste tijd in de schatkamers. Ik denk niet dat de meeste Victoriaanse landhuizen die hadden, dus wie dit huis dan ook bedacht heeft, dat is ook weer een slordigheidje. De schatkamers zijn ondergronds, of ja, onder de rest van het huis. Ik heb wel eens geprobeerd een kuil te graven in de tuin, maar dat houdt na een meter ook wel op. Tijdens een slechtere periode heb ik zelfs geprobeerd de bodem van de vijver weg te graven, om te kijken of het water dan toch tenminste weg zou lopen. Nee, hoor. Ik kwam wel allemaal diertjes tegen, maar aangezien ik nooit de moeite heb genomen om dieren te leren herkennen, weet ik niet wat voor dieren het zijn.

De schatkamers, dus. Er zijn er drie. Ze liggen aan elkaar vast, dus je kunt alleen naar de laatste via de andere twee.

De eerste kamer is schitterend versierd en ziet er heel duur uit. De muren alleen al lijken te pronken met dure ontwerpen en edelmetalen. De kamer ligt vol met spullen gemaakt van de meest waardeloze tot de meeste waardevolle metalen. Het heeft een tijd geduurd voor ik in de gaten had wat de spullen waren: mijn cadeaus aan andere mensen. Er zit veel troep tussen, van die prullen die je dan hoort te geven bij verjaardagen en die zijn vaak ook van lood of oud ijzer. De meeste cadeaus die ik aan mijn moeder heb gegeven zijn stralend goud of zilver, behalve de traditionele boekenbonnen die ik gaf vanaf toen ze veertig werd. De eerste is een flauw brons, maar de rest is nauwelijks leesbaar en vergruist als ik ze oppak.

De cadeaus aan mijn vrouw, kinderen en minnaressen vertonen eenzelfde patroon. Alles wat ik eerder heb gegeven, lijkt vaker goud of zilver te zijn. Ik dacht eerst dat het te maken had met hoeveel het me gekost had, omdat de trouwring de originele glans bewaard heeft en de verjaardagscadeaus van Lisa en Peter stralen alsof de zon erop schijnt. Maar dat klopt niet, want de boekenbonnen werden alleen maar van een groter bedrag en die vaas die ik aan mijn schoonzus heb gegeven kostte een vermogen. En trouwens, die dure kleren en verwennerijen voor mijn minnaressen zijn ook allemaal geroest en vuil. Een rib uit mijn lijf, voor zo’n bende? Het was altijd al een ondankbaar stel.

Aan de andere kant is het fijn om sommige dingen die ik eigenlijk niet wilde weggeven nu weer zelf te hebben, zoals mijn collectie postzegels. Ik was er altijd al van overtuigd dat die postzegels ooit veel waard gingen worden, maar mijn vrouw, Mathilde, stond erop dat ik hem aan de buurman gaf toen hij zo ziek was. Nu heb ik ze terug, verguld ook nog.

De tweede kamer is groot, heel groot, vol met grote, luxe kasten met laden. De knoppen glimmen allemaal en zien er chic uit zo op het diepbruine gelakte hout van de kasten. De laden liggen vol met schitterende edelstenen. Toen ik er voor het eerst kwam, dacht ik dat ik steenrijk was. Ik greep naar een gigantische smaragd en herinnerde me de dag dat ik mijn oudere broer voor het eerst versloeg met schaken. Hij was altijd beter, liet me nooit winnen, maar omdat zijn vriendinnetje die dag onder een auto was gekomen, speelde hij niet zo goed als normaal. Ik won heel eenvoudig. Ik mocht het natuurlijk niet laten merken, maar ik was heel tevreden. Ik ben regelmatig op zoek naar die smaragd, maar het is een grote bende in de tweede schatkamer. Vaak liggen er ook stenen op de grond, in grote stapels. Het doet me denken aan een prentenboek met een verhaal van Alladin en de tovergrot erin. Staat ook in mijn bieb. Als ik de schatkamers uit ga, en dan weer in, liggen de stenen anders. Heel knullig bedacht. Als het dan toch een behekst huis is, kan het toch wel een beetje meewerken? Ik kan al die stenen toch al niet uit elkaar houden. Soms denk ik dat ik een fijne herinnering teruggevonden heb, maar soms is het dan een andere herinnering, zoals laatst, toen ik een stuk jade uit een vilten lade tilde en me herinnerde hoe mijn tweede baas bij de investeringsbank me confronteerde met de extra rekening die ik had aangemaakt voor mevrouw van Assen. Geen feestje, die herinnering.

Het is dus eigenlijk een beetje gokken, daar, maar op de een of andere manier blijf ik toch op zoek naar mooie herinneringen. Veel anders is er ook niet te doen hier.

De laatste kamer is kleiner dan de eerste en de tweede. In het midden staat mijn lievelingsstoel, die ik verloren ben bij de scheiding. Mathilde had er zogenaamd goede herinneringen aan, maar ze deed het alleen om mij te stangen. Gelukkig kreeg ik de ring terug. Die was toch meer waard. De kamer is vijfhoekig. De wanden spiegelen, maar ik weet niet of ze van diamant of goedkope spiegels zijn gemaakt.

Ik kwam er toen wel achter dat je soms door de spiegels heen kunt. Het gebeurt niet vaak, maar soms zie ik in plaats van mijn eigen spiegelbeeld iemand anders, die meestal erg op mij lijkt. Jonger, gezonder, soms een stuk lelijker, meestal een stuk lelijker, eigenlijk, maar soms ook mooier dan ik mezelf ooit gezien heb. Daarna verschijnt dan iemand anders, iemand die ik ken van vroeger. Het duurde lang voordat ik iemand tegenkwam die lang genoeg zichtbaar bleef en ik zomaar iets zei, maar toen bleek dat ik met die andere mensen kan praten. Ik spreek Mathilde nog wel eens en Lisa en Peter, hoewel ze allemaal oud zijn. Peter probeerde me ooit iets wijs te maken over een manier om af en toe jong te zijn, maar het had iets te maken met jong gezien worden door zo’n spiegel en ik heb weinig zin om mijn vader of broer te zien.

Mijn moeder zie ik wel regelmatig, ook als er verder niemand te zien is. Ze vroeg zelfs een keer of ik naar haar huis kwam. Ik stapte door de spiegel en liep met haar mee door haar schatkamers. De spiegelkamer was hetzelfde als bij mij, hoewel de krakende leren bank uit haar flat er stond, bedekt met een haar favoriete geblokte deken, een bakje naaiwerk en Hugo, de kat. De edelstenenkamer was precies hetzelfde als bij mij, hoewel ik niets kon oppakken omdat mijn moeder mijn arm stevig vasthield. Het was moeilijk om te zien of haar kamer verder door liep dan bij mij, vanwege de zooi en de kasten.

De metaalkamer was heel anders dan bij mij. Bijna alle spullen die er lagen waren van goud of zilver. Ik snap nog steeds niet waarom. Het was vaak dezelfde zooi die ik gaf, of zeker goedkoper. Gelukkig zag ik dat er ook troep tussen lag. Ik herkende een aantal verjaardagscadeaus die ik had gekregen, maar niet precies waren wat ik had willen hebben. Goedkope kopieën, vaak. Mijn moeder begreep heel lang niet wat ik wilde hebben. Misschien heeft ze het wel nooit begrepen.

We stapten de kamer uit. We stonden in een stadsappartementje. Het leek er op de plek waar mijn moeder woonde voor ze naar het verzorgingstehuis ging. Het was er lawaaiig en ze zei dat we samen vanaf het balkon naar de mensen konden kijken. Dat leek haar gezellig. Ik was verbaasd dat er mensen rondliepen rond haar huis en wilde ze ontmoeten, maar ze zei dat ze niet naar beneden kon omdat de lift stuk was. Ze keek echter graag naar de verschillende types, zoals ze wel vaker had gezegd. Ze noemde zichzelf een mensenmens.

We aten een stukje cake terwijl we daar zaten en mijn moeder babbelde zoals altijd over mensen die ze kende. Ze vertelde dat een paar van haar vriendinnen schitterende huizen hadden, nu, maar dat ze toch blij was dat ze zelf hier woonde, met mensen om zich heen, zodat ze nooit eenzaam hoefde te zijn. Het leek alsof ze continu bij mensen op bezoek ging en met ze praatte. Mijn spiegels waren bijna altijd leeg. Mijn moeder probeerde me gerust te stellen en zei dat het alleen maar de mensen waren waar ze en bepaalde klik mee had gehad. Ik zuchtte diep. Mijn moeder had het altijd over haar relaties en connecties met mensen gehad, zelfs met mijn vader, die niemand mocht. “Op de één of andere manier zijn we toch verbonden,” zei ze dan.

Mijn vader woont blijkbaar in een penthouse en keek uit over de stad. Mijn moeder vond het echt iets voor hem.

Ik had er al snel genoeg van en ik stapte maar weer eens op.

Zoals ik dus zei: het hiernamaals valt me tegen. Dit is toch geen beloning voor een leven hard werken? Ik ben altijd naar de kerk gegaan en was heus niet minder vroom dan de meeste anderen. Ik ben niet tevreden met de geleverde service.

Ik zal deze brief achterlaten in de brievenbus aan het einde van de oprijlaan en ga er van uit dat u er acht op zal slaan.

Met vriendelijke groeten,

R.  

Wessel Fledderus

Wessel Fledderus is docent, bassist, aikidoka en schrijver. Hij speelt in en schrijft voor Het Bewind. Samen met Merel Oudshoorn maakt hij de Herwaarns podcast, waarin aan de hand van culturele objecten maatschappelijke thema's worden besproken.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *